St. Irmina

De Romeinse pakhuiscomplexen aan de Moezel vormen de basis voor St. Irmina. Al ten tijde van de Romeinen was er druk scheepvaartverkeer op de Moezel. In de buurt van de oever werden grote pakhuiscomplexen, de zogenaamde "horrea", gebouwd. Deze hallen ging later van Romeins bezit in Frankisch koningsbezit over. Koning Dagobert I (622-638) schonk deze gebouwen aan aartsbisschop Modoald van Trier, die daar een benedictinessenklooster stichtte.

Abdissen waren Modesta, een familielid van Modoald, en later de dochter van Dagobert II, de heilige Irmina (707). Zowel in de 12e als in de 18e eeuw werden aan het klooster grotere bouwkundige wijzigingen doorgevoerd.

In 1768 - 1771 werd volgens tekeningen van Jean Antoine een zaalachtige kerk gebouwd die naar de heilige Irmina genoemd werd. Het nonnenklooster bestond tot 1802. Later, onder leiding van Napoleon, kregen de gebouwen een andere bestemming die ze deels ook nu nog hebben: Ze werden ziekenhuizen en bejaardentehuizen. Interessant voor de bezoeker is vooral de westvleugel van het klooster dat na de verwoestingen tijdens de Tweede Wereldoorlog op indrukwekkende wijze nieuw is vormgegeven.